Zes tips voor een aansprekend en levendig verhaal

Je hebt hard gewerkt. En nu presenteer je – eindelijk! – het resultaat aan je publiek.

Je publiek reageert niet.

Snappen ze het niet? Zijn ze verveeld?

Iedereen die met complexe, specialistische en abstracte materie werkt, worstelt hiermee. Hoe voorkom je dat je publiek afhaakt als je ingewikkelde informatie probeert over te brengen?

In hoeverre je publiek betrokken raakt bij je verhaal hangt natuurlijk af van een boel verschillende factoren. Maar één van die factoren wordt vaak over het hoofd gezien: hoe abstract je verhaal is. Dat maakt veel uit.

Als je abstracte taal gebruikt, raakt je publiek minder snel betrokken

We doen het allemaal. Programmeurs bouwen geen apps voor smartphones, maar mobiele oplossingen. Onderzoekers werken met proefpersonen, niet met Janne, Alexandro en Natasja. Stadsplanners werken met datapunten in hun stedelijke mobiliteitsanalyses, niet met zweterige, stampvolle metro’s in de spits.

Abstracties zoals oplossingen, proefpersonen, datapunten en mobiliteit zijn misschien nuttig voor communicatie tussen experts. Maar voor niet-ingewijden kan zulke taal flink verwarrend en bovendien nogal slaapverwekkend zijn.

Om levendige, duidelijke en aansprekende verhalen te vertellen heb je concrete details nodig.

Grote kans dat je gewend bent om abstracte taal te gebruiken. Wetenschappelijke en ambtelijke teksten staan er bol van. Misschien ben je er zo aan gewend dat je abstracties maar moeilijk kan herkennen, laat staan vertalen naar iets concreets.

6 tips om je abstracte verhaal meer concreet en levendig te maken


1. Kietel de zintuigen

Het woord ‘geleedpotige’ doet je waarschijnlijk weinig. Misschien is ‘spin’ al iets effectiever. En een harige, vaalbruine tarantula zo groot als een soepbord’?

Als je zintuiglijke taal gebruikt – harig, vaalbruin, soepbordformaat – zet je een beeld op het netvlies van je publiek. Die beelden maken je verhaal levendig. Ze creëren een ervaring, waardoor je publiek meer betrokken raakt.

Een voorbeeld. Een beroemd boek over de verwoestende effecten van pesticiden op het milieu heeft de titel Silent spring. Er zijn alternatieve, abstractere titels denkbaar die de lading beter dekken. De negatieve effecten van onwillekeurig gebruik van pesticiden, bijvoorbeeld. Maar deze titel nodigt je uit om je voor te stellen hoe de lente zou klinken als pesticiden alle zangvogels hebben uitgeroeid. Dat brengt de boodschap veel effectiever over.

Hoe goed we ook zijn in abstract denken, we ervaren de wereld via onze zintuigen. Zintuiglijke informatie verwerken we daarom veel gemakkelijker.

Zintuiglijke taal is begrijpelijke taal – en ook nuttig om zaken te beschrijven die niet direct waarneembaar zijn. Nanomaterialen worden bijvoorbeeld soms ‘glad’ of ‘ruw’ genoemd. We kunnen die oppervlakken niet aanraken, maar omdat we weten hoe ‘glad’ en ‘ruw’ voelen, kunnen we ons voorstellen hoe dat eruitziet. Abstractere omschrijvingen van ‘oppervlaktetopografieën’ zijn minder effectief.

Een gepolijste strandbal
In 1957 werd de eerste satelliet, de Spoetnik, gelanceerd. De meeste mensen hadden geen idee hoe satellieten eruitzagen. Daarom gaf een journalist wat concrete details in zijn artikel over de lancering:

“…honderden mijlen boven de aarde zweefde een gepolijste metalen bol, zo groot als een strandbal, over de continenten en oceanen.”

Dat de Spoetnik bolvormig, gepolijst en van het formaat strandbal was, was niet het belangrijkste dat erover te zeggen viel. (Hij was gelanceerd door de Sovjetunie, bijvoorbeeld). Maar de beeldende details, en de vergelijking met iets dat ze al kenden, zetten de Spoetnik op het netvlies van de lezers.

Harige pompoenpitten
Onlangs ontdekten wetenschappers een nieuw micro-organisme. Een die er heel anders uitzag dan ‘gewone’ microben – waar de meeste mensen toch al niet zo bekend mee zijn. Een wetenschapsjournalist beschreef deze nieuwe soort als volgt:

“…uitvergroot in 3D door een elektronenmicroscoop, zien de wezentjes eruit als een soort harige pompoenpitten.”

Het bijzondere was dat ze tot een nieuw, onbekendbiologisch domeinbehoorden. Dat betekende dat onze biologische classificatie van soorten ge-updatet moest worden. Het beeld van de harige pompoenpit is als de kruiwagen waarmee die abstractere informatie afgeleverd wordt.

2. Gebruik personages (en dat hoeven geen mensen te zijn)

De meeste fictieverhalen draaien om personages. De held, het lelijke eendje, Don Quichot: je volgt hen door het verhaal.

Het is minder gangbaar om personages in informatieve teksten op te voeren – maar niet minder effectief! Personages kunnen je complexe verhaal begrijpelijker en aansprekender maken.

Dus gaat jouw verhaal over mensen, verberg die dan niet achter abstracties. Beschrijf ze als wezens van vlees en bloed.

In een verhaal over Alzheimerpatiënten kan je een specifieke patiënt beschrijven. Misschien Johanna van 78, die de namen van haar kinderen vergeet, maar nog graag met ze in het park wandelt.

In een verhaal over ‘de superrijken’ kan je Shahid Khan opvoeren: een man met een krulsnor en een vermogen van 8,1 miljard dollar, waaronder een Engelse voetbalclub en een 100 meter lang superjacht.

Als je verhaal niet over mensen gaat, kan dit ook: alles wat het verhaal kan ‘dragen’, zoals een menselijk karakter dat kan, is geschikt.

Je kan bijvoorbeeld corruptie beschrijven vanuit het perspectief van een steekpenning die van hand tot hand gaat. Of fotosynthese vanuit het perspectief van een enkel koolstofdioxidemolecuul. De verspreiding van misinformatie online illustreren aan de hand van één specifieke samenzweringstheorie.

Complexe processen worden gemakkelijker te begrijpen als je ze beschrijft vanuit zo’n specifiek perspectief. Een personage geeft je verhaal een rode draad, die je lezer helpt om de complexiteit te navigeren.

Dus vraag jezelf eens af: wie of wat zou de hoofdpersoon in jouw verhaal kunnen zijn?

De reis van een frietje
In 1997 stonden Aziatische landen aan de rand van een financiële crisis. Die crisis dreigde zich uit te breiden naar de VS. Een financieel journalist, Richard Read, moest dit uitleggen aan zijn Amerikaanse krantenlezers.

Read wist dat die lezers geen zin hadden in abstracte economische analyses. Dus hij deed iets anders. Hij beschreef de reis van één enkele lading Amerikaanse aardappelen die voorbestemd waren om als frietjes verkocht te worden in een Indonesisch McDonaldsfiliaal.

Die aardappelen werden de hoofdpersonen, en hun reis de rode draad. Van de boerderij via een frietfabriek naar het vrachtschip waarmee ze naar Azië werden verscheept. Aan die rode draad knoopte Read verhalen over de mensen op die route: aardappelboeren, vrachtwagenchauffeurs, zeemannen en distributeurs. Allemaal mensen voor wie de crisis gevolgen zou hebben.

Zo kon Read een abstracter punt maken: dat de Amerikaanse en Aziatische economieën vervlochten waren.

Twitteren op Mars
NASA’s missie naar Mars omvat een ambitieuze wetenschapsagenda. Uit welke chemische en mineralogische ingrediënten bestaat het Marsoppervlak? Zijn er ‘bouwstenen van leven’ te vinden? Hoe zien het weer en klimaat van Mars eruit? – en zo zijn er nog veel meer onderzoeksvragen.

De missie heeft dan ook een flinke stapel wetenschappelijke publicaties voortgebracht. Samen vertellen die hoogstens een gefragmenteerd verhaal, dat lastig te volgen is voor niet-experts.

Enter Curiosity, de het rijdende laboratorium dat in 2012 op de rode planeet landde. Zij (volgens NASA is de rover een ‘zij’) is de hoofdpersoon in een veel toegankelijker verhaal over deze missie.

NASA presenteert Curiosity als een wezentje. Ze heeft een ‘lichaam’, ‘ogen’, en een robotarm met een ‘hand’. En een ‘nek’ en ‘hoofd’: een mast met camera’s.

En Curiosity kreeg ook een stem – dat wil zeggen, een Twitter-account. Via dat account houdt Curiosity de wereld op de hoogte van onderzoeksresultaten en ontdekkingen. Ze heeft momenteel zo’n 4 miljoen volgers.

Zo gaf NASA het publiek een perspectief van waaruit ze de missie kunnen volgen: dat van een moedige kleine robot op een verre planeet. Een die zelfs selfies maakt:

3. Gaat je verhaal over mensen? Vertel dan over mensen

In wetenschappelijke en beleidsteksten worden menselijke ervaringen vaak in abstracte, afstandelijke taal beschreven. Neem bijvoorbeeld de term ‘gentrificatie’. Wat betekent dat?

Wikipedia geeft deze definitie:

“een proces van opwaardering van een buurt of stadsdeel op sociaal, cultureel en economisch gebied, het aantrekken van kapitaalkrachtige nieuwe bewoners/gebruikers en de daarmee gepaard gaande verdrijving van de lagere klassen uit het stadsdeel.”

Dat is nog vrij abstract. Wat betekent ‘opwaardering op sociaal, cultureel en economisch gebied’? Wat zijn ‘lagere klassen’? En wat gebeurt er precies met je als je ‘verdreven’ wordt?

De abstracte definitie beschrijft bovendien de wereldwijde overeenkomsten. Maar gentrificatie oogt en voelt anders in Londen dan in Sjanghai, en weer anders in Kaapstad.

Door lokale verschillen weg te laten wordt het mogelijk het fenomeen wereldwijd te bestuderen en vergelijken. Dat is de waarde van abstractie.

Maar als je een aansprekend verhaal wil vertellen aan een oningewijd publiek, dan heb je juist de rommelige, kleurrijke, lokale werkelijkheid nodig. Met specifieke details over echte mensen en hun ervaringen schets je een levendiger beeld, dat begrijpelijker is en makkelijker te onthouden.

Je kan inzoomen op, bijvoorbeeld, een bewoner van een arme, voormalig gesegregeerde wijk in Kaapstad. De luxehotels en appartementen beschrijven die er sinds kort gebouwd worden. Uitleggen hoe die nieuwbouw zijn huur opjaagt, en hoe zijn buren en vrienden vertrekken. Hoe de straten geveegd worden en dure ketens zijn buurtwinkel wegconcurreren.

Om je publiek je verhaal in te trekken en een beeld op hun netvlies te zetten heb je zulke specifieke details nodig.

We wonen allemaal in de Dollarstraat
Economische ongelijkheid wordt vaak in grote getallen uitgedrukt. Je hebt vast wel ergens gelezen dat er zo’n 46 miljoen miljonairs ter wereld zijn, die gezamenlijk 44% van het totale wereldwijde vermogen bezitten. Of dat de 26 rijkste mensen evenveel bezitten als de armste helft van de wereldbevolking.

Maar wat betekent dat op menselijk niveau? Wat is een dollar waard in Madagaskar, Ecuador of Moskou? En hoe is het om een miljoen dollar te bezitten?

Het online fotoproject Dollar Street geeft een concreter beeld. In dit project woont de hele wereldbevolking in een denkbeeldige straat, Dollar Street. De armste mensen wonen aan het linkeruiteinde van de straat, de rijksten aan het rechter, en de hele rest van de mensheid woont daar tussenin, geordend naar inkomen.

Op de site kan je foto’s van dagelijkse voorwerpen in verschillende huishoudens bekijken. Klik een willekeurige familie aan en je ziet hun keuken, slaapkamer, toilet, speelgoed en tandenborstels. Onder in elke foto zie je het gemiddelde maandinkomen van dat huishouden.

Je kan ook alle foto’s op categorie sorteren. Selecteer je ‘keukens’, dan zie je de uiteenlopende manieren waarop mensen koken, wereldwijd. Van open vuurtjes tot inbouwkeukens.

Een veelzeggende categorie is ‘meest dierbare bezit’. Aan de arme linkerkant van Dollar Street koesteren mensen hun schaar, of hun ploeg. En, opvallend vaak, hun paspoorten. Aan de rechterkant zijn mensen het gelukkigst met hun camperbusjes en Ipads.

Als je de schoenen van mensen over de hele wereld vergelijkt, of hun wc’s, of hun allerliefste bezit, worden welvaartsverschillen concreet, zichtbaar en invoelbaar op dagelijks niveau. Dat geeft betekenis aan droge statistieken.

4. Verbind jouw onderwerp met de wereld van je publiek

Hoe specialistisch en specifiek jouw onderwerp ook is, je vindt haast altijd wel een link met je publiek.

Met onderwerpen uit de geneeskunde of de economie is dat relatief eenvoudig. Iedereen in je publiek heeft immers een lichaam, en economische ontwikkelingen zijn voor haast iedereen relevant.

Toch wordt ook in die gevallen die link niet altijd benoemd. Veel mensen gebruiken algemene, abstracte taal – uit gewoonte. Als je dat doet lijkt je verhaal minder relevant voor je publiek dan het in werkelijkheid is. Je mist zo een kans om hun betrokkenheid te verhogen.

Een voorbeeld. In een presentatie over diabetes kan je spreken over teveel glucose in ‘het’ bloed, en hoe dat schade kan veroorzaken aan ‘het’ lichaam. Maar je kan ook beginnen met de glucosewaarden in het bloed van je publiek, dat net een broodje heeft gegeten en koffie heeft gedronken. Of inschatten hoeveel mensen in de zaal risico lopen om suikerziekte te krijgen.

Dit kan ook met onderwerpen die wat verder af liggen van je publiek. Onderzoek je micro-organismen, vergelijk die dan met de microben die in hun keuken leven, of op hun huid. Houd je je bezig met kosmische straling, vertel dan dat die straling schade kan veroorzaken aan hun eigen computers. De relevantie is misschien minder evident, maar je benadrukt dan wel dat je het over hun wereld hebt.

Dit zijn jouw cellen
Zo begint een artikel over genetische mutaties:

“Terwijl je dit artikel leest, delen de cellen in jouw lichaam zich, en het DNA in die cellen wordt gekopieerd, letter voor letter. Het menselijk genoom is zo lang – meer dan 3 miljard letters – dat er, ondanks de verbazingwekkend lage foutendichtheid van 1 op miljoenen letters, nog steeds 10 mutaties ontstaan, elke keer dat een cel zich deelt.”

Mensen worden misschien niet graag herinnerd aan wat er allemaal mis kan gaan in hun lichaam – de schrijver legt dan ook gauw uit dat de meeste mutaties onschadelijk zijn. Maar dit is wel een effectieve manier om te benadrukken dat dit relevant is voor de lezer. Die zal niet gauw denken dat dit niets met hem te maken heeft.

Dit is jouw stad
Volgens voorspellingen zal klimaatopwarming ervoor zorgen dat de zeespiegel gemiddeld zo’n 1 à 2 meter zal stijgen, nog voor het einde van deze eeuw.

Dat klinkt urgent, maar is tegelijkertijd moeilijk voorstelbaar, en lastig te vertalen naar onze dagelijkse omgeving. Enig idee welke gevolgen 1 meter zou hebben voor jouw stad? Of 2?

Daar is een app voor: Surging seas. Die bestaat uit een wereldkaart waarop je de zeespiegel kan verhogen of verlagen. Zoom in op je thuisstad en je ziet welke gevolgen een meter zeespiegelstijging zou hebben, of 3, of 10. Naarmate je de zeespiegel verder opschroeft, zie je je eigen stad langzaam onderlopen, straat voor straat. De app geeft ook aan wanneer dat zeespiegelniveau bereikt zou worden onder verschillende scenario’s. Bij een onbeperkte uitstoot hebben we in Nederland al over 70 jaar 1 meter zeespiegelstijging. Dat brengt de boodschap wel over:

Op het moment hebben de Nederlanders en Engelsen droge voeten
Maar met 2 meter zeespiegelstijging zou dat wel eens drastisch kunnen veranderen

5. Vertaal grote getallen naar een menselijkere schaal

Wij mensen zijn best goed met grote getallen. We kunnen bijvoorbeeld het BBP van IJsland berekenen: 23 miljard dollar in 2017. Of het aantal basenparen op het menselijk genoom – dat zijn er ongeveer 3 miljard.

Maar in een ander opzicht zijn we bar slecht met grote getallen: we kunnen ze maar nauwelijks bevatten. Hoeveel is 23 miljard dollar? Gaat het goed met de economie van IJsland? Hebben mensen een groot of klein genoom?

Jij werkt waarschijnlijk ook met grote getallen: misschien met miljoenen jaren evolutie, honderdduizenden patiënten, of miljardenbudgetten. Als je een lekenpubliek een gevoel wil geven voor deze getallen, zul je die moeten vertalen naar een alledaagse schaal. Dat wil zeggen: naar hoeveelheden, afstanden en perioden die we kunnen ervaren.

Een voorbeeld. Een miljoen en een biljoen zijn allebei even onvoorstelbaar grote aantallen. Daardoor vergeet je gemakkelijk hoe verschillend ze zijn. De BBC legt dat als volgt uit:

“Een miljoen seconden is 11 dagen, een miljard seconden is ongeveer 32 jaar, en een biljoen seconden is 32.000 jaar”.

Als je ze vertaalt naar eenheden die we uit ervaring kennen, zie je dat een miljoen van een heel andere orde van grootte is dan een biljoen.

De kosmische kalender
De kosmische kalender is een jaarkalender zoals die in je agenda of aan je muur. Maar deze kalender omvat de gehele geschiedenis van het universum. De Oerknal vindt plaats op 1 januari. En het heden is altijd 31 december, middernacht.

Ons zonnestelsel werd geboren op 2 september. Meercellig leven ontstond op 5 december. De dinosauriërs verschenen op 1e kerstdag en stierven uit op 30 december – vergelijk dat eens met de moderne mens: die ontstond op 31 december, een paar minuten voor middernacht. Door 13,8 miljard jaar te projecteren op de bekende schaal van een kalenderjaar, wordt het makkelijker om deze onvoorstelbaar lange perioden te vergelijken.

Gratis werk
Je hebt vast wel gehoord van de loonkloof: het verschil in gemiddeld salaris voor mannen en vrouwen die hetzelfde werk doen. Misschien heb je wel eens wat percentages gezien, of een staafdiagram. Dat zijn best effectieve manieren om het verschil te laten zien. Maar kijk eens naar deze interpretatie van de Washington Post:

De mediaan van het salaris dat vrouwen krijgen voor een fulltime baan is ongeveer 80 procent van die van mannen. In andere woorden: gedurende tien weken per jaar werken vrouwen gratis.

Tien weken gratis arbeid is veel gemakkelijker voor te stellen – en een veel indrukwekkendere boodschap.

Dure kip
Starters die een huis willen kopen in het Verenigd Koninkrijk hebben het moeilijk. In de afgelopen 20 jaar zijn huizenprijzen ongeveer zeven keer sneller gestegen dan de gemiddelde inkomens van volwassenen onder de 40.

Heb je dat? Huizen zijn dus niet zeven keer duurder geworden, maar ze stegen zeven keer sneller dan de snelheid waarmee het gemiddelde inkomen steeg. Wat betekent dat?

Catrina Davies schreef een boek over de Britse huizencrisis, getiteld Homesick. Daarinlegt ze het als volgt uit:

“Als voedselprijzen net zo snel gestegen waren als huizenprijzen, sinds ik volwassen werd, dan zou een kip nu 51 pond kosten (of 100 pond voor Londenaren).”

De meeste mensen kopen niet elke dag een huis. Maar ze kopen wel vaak eten. Door vastgoedtrends te vertalen naar de prijs van een kip worden die begrijpelijk voor iedereen.

6. Gebruik analogieën, vergelijkingen en metaforen

Je bent een expert in jouw vakgebied. Of hard op weg om er een te worden. En dus breng je je dagen door met het verkennen, analyseren en ontleden van jouw onderwerp. Je zoomt steeds verder in. Kruipt diep jouw specialistische konijnenhol in.

De wereld die je daar aantreft verschilt radicaal van de dagelijkse werkelijkheid die je met jouw publiek deelt. Want de meeste mensen komen nu eenmaal nooit in aanraking met kwantumfenomenen, of de binnenste mantel van de aarde, of algoritmen – of waar jouw specifieke konijnenhol dan ook naartoe leidt.

Dus hoe moet je hen nu uitleggen wat je daar gevonden hebt?

Letterlijke beschrijvingen zijn meestal niet zo geschikt om iets over te brengen dat moeilijk voorstelbaar is, of tegenintuïtief. En een snelle introductie tot de kwantummechanica, geofysica of relevante wiskunde is vaak ook lastig.

Je kan de kloof tussen jouw specialisme en het referentiekader van je publiek overbruggen met een vergelijking, analogie of metafoor.

Een voorbeeld. Natuurkundige Carlo Rovelli wilde argumenteren dat het lineaire verloop van de tijd zoals wij die ervaren een illusie is. Dat is moeilijk voorstelbaar. Dus hij maakte een vergelijking:

“Gebeurtenissen wachten niet in ordelijke rijen tot ze aan de beurt zijn, zoals de Britten. Ze verdringen zich in een chaotische massa, zoals de Italianen.”

Nog een voorbeeld. China censureert het internet op talloze manieren. Het kost tijd om die allemaal op te noemen en toe te lichten. De metafoor “The great firewall of China” vat het belangrijkste punt samen in één enkel concept.

Die metafoor is begrijpelijk en effectief omdat die gebruikmaakt van twee simpele en bekende concepten. Ten eerste de Chinese Muur, The great wall of China. En ten tweede de firewall, die veel mensen op hun computers hebben.

Op deze manier kan je een idee overbrengen zonder al teveel ingewikkelde details te geven.

Perverse prikkels

Jaren na de financiële crash van 2008 snapten veel mensen eigenlijk nog steeds niet goed wat er nu gebeurd was. Om de hoofdoorzaken van de crisis begrijpen ging journalist Joris Luyendijk op veldonderzoek in de financiële wereld van de Londense City.

Zijn conclusie: ons financiële systeem is vergeven van de perverse prikkels, die ervoor zorgen dat ook goede mensen immoreel handelen. Dat is het probleem.

Maar hoe leg je dat uit zonder al teveel technische details? Luyendijk vertelt dat hij een geschikte analogie vond toen hij het idee probeerde over te brengen op een zevenjarige. Dat deed hij zo:

“Stel je voor, degene die net koekjes heeft gejat, en degene die dat niet heeft gedaan, die krijgen allebei straf. Wat is dat? Ja, dat is niet eerlijk. En stel, jij doet je huiswerk wel, Loes doet haar huiswerk niet, jullie krijgen allebei hetzelfde cijfer. Wat doe je de volgende keer als je huiswerk krijgt? Precies.”

Cijfers en straf, in plaats van marktprikkels en wet- en regelgeving. Zo maakt Luyendijk de financiële wereld begrijpelijk voor de gemiddelde leek.

Een derde van de mensheid
Probeer je eens 2,2 miljard mensen voor te stellen. Lukt niet. Dat getal gaat ons voorstellingsvermogen ver te boven.

Zoveel gebruikers heeft Facebook.

Zo probeert een journalist van de New Yorker dit getal iets minder abstract te maken:

“Als Facebook een land was, zou het de grootste bevolkingsomvang ter wereld hebben. Meer dan 2,2 miljard mensen, ongeveer een derde van de mensheid, loggen minstens eens per maand in.”

Dat enorme aantal gebruikers wordt iets voorstelbaarder dankzij de vergelijking met andere enorme eenheden die we al kenden: de natiestaat en de mensheid. Dat geeft je een beter idee van de schaal.

Waarschuwingslampje
Chronische pijn zonder duidelijk aanwijsbare lichamelijke oorzaak is iets raadselachtigs. Veel mensen lijden hier aan. Een theorie hierover is dat in sommige gevallen niet het lichaam, maar de perceptie van dat lichaam ‘kapot’ is.

Hier wordt de theorie zo uitgelegd:

“Als een waarschuwingslampje op het dashboard van je auto blijft knipperen, om aan te geven dat je motor kapot is, maar de monteur geen defect kan vinden, dan is misschien het lampje zelf kapot. […]
Chronische pijn werd lang behandeld alsof defect aan de zenuwen of het weefsel – als motorprobleem, zogezegd. We duiken onder de motorkap, verwijderen dit, vervangen dat, knippen wat draadjes door. Maar het lampje blijft maar knipperen.”


De metafoor maakt niet alleen een helder onderscheid tussen het lichaam (de motor) en de perceptie daarvan (het lampje). Hij maakt pijn, iets onzichtbaars en subjectiefs, zichtbaar: als irritant knipperend lampje dat maar niet uit wil.


Laatste tip: zoek een testpubliek

We zijn vaak blind voor onze eigen abstracties. We gebruiken die begrippen dag in, dag uit, en voor ons is volstrekt duidelijk waar ze naar verwijzen. Voor ons zijn ze concreet.

Daarom is het slim om een bereidwillige, kritische en eerlijke testlezer of -luisteraar te zoeken. Die kan je vertellen waar je verhaal te abstract wordt. En als je diegene vervolgens probeert uit te leggen wat je nu eigenlijk bedoelt, vind je waarschijnlijk ook nog eens een veel creatievere uitleg dan wanneer je alleen werkt.


Marieke is trainer, adviseur en redacteur bij Analytic Storytelling. Ze is een ervaren wetenschapsjournalist en zoekt dus altijd naar het verhaal achter een complex onderwerp.